Januari 2014
© Carolien Oosterhoff

Ik weet het niet’

Afgelopen december (2013) werkte ik een maandje als tijdelijke kracht als postsorteerder, want van mijn filmwerk kan ik niet 100% in mijn onderhoud voorzien. Daarbij leek het me goed eens alle Ego opzij te zetten en mijn bereidheid ook laaggeschoold werk te doen te tonen. Aan mijzelf. De PostNL zit niet bepaald in het centrum van Amsterdam, dus ik op mijn fietsje naar dat betonnen gebouw in het pikkedonker. ’s Ochtends in álle vroegte. Dat alleen al is goed om te leren buigen voor het echte handwerk.

Ik ben goed in kaartlezen. Maar slecht in de weg vinden als ik tegelijkertijd ook moet sturen: ik kan alleen maar mono-tasken. En omdat mijn telefoon – leve Google maps, toch? – me niet brengt waar ik wezen moest besluit ik het te vragen. Op zich al niet eenvoudig om 06:30 uur ’s ochtends, want vind dan maar ’s een voetganger op straat. Hemelzijdank tref ik iemand.

“Ik moet op de Johan Huizingalaan zijn. Weet u hoe ik daar kom?” Het blijft even stil. Eén wenkbrauw wiebelt onzeker omhoog. Hij krabt met zijn hand op zijn hoofd. Links, rechts én achterom kijkt hij. “Ja, ik denk het wel. Euh, ik geloof dat het die kant op is.” Ik buig over mijn stuur en kijk nog een keer, dit keer een tikkeltje dieper in zijn ogen. “Gelóóft u het of weet u het zeker? Ik ben al een half uur aan het rondfietsen, weet u. En zo kom ik te laat. Dus gelóóft u het of weet u het zeker?” “Ja, nee, ik weet het zeker. Het is die kant op.” Zijn vinger zwaait door de lucht. “Nog 2 x links en dan bent u er. Geloof ik.”

Omdat ik het ook niet weet rest mij niets anders dan zijn halfslachtige aanwijzingen op te volgen. Ik gá die kant op, met afwisselend één pedaaltrap twijfel en één pedaaltrap vertrouwen. Daar ga ik: twee keer links, maar de PostNL vinden ho maar. Inmiddels is het gaan regenen. Hevige plensbuien op mijn kop en een oude regenjas die dat niet meer houdt. Ik heb het koud. Doordrenkt besluit ik de volgende voetganger aan het jasje te trekken.

“Ik moet op de Johan Huizingalaan zijn. Weet u hoe ik daar kom?”, vraag ik weer. De mevrouw blijft even stil. Ze kijkt om zich heen, zoekend. Ik zie haar gezicht en kijk met een blik die verraadt dat ik genoeg heb van rondjes rijden in de vroege donkerte. “Als u het niet zeker weet, geeft dat niet, maar als u dát zegt helpt u mij ook.” “Ik denk dat het daar is, volgens mij ben je er bijna,” zegt ze vriendelijk. Ze ziet er werkelijk alleraardigst uit. Ik lach vriendelijk terug. “Weet u dat zeker of denkt u dat?” “Eh, ik denk het,” zegt ze met een verontschuldigende blik. “Ah, u weet het niet zeker. Dat geeft niet. Maar dan vraag ik even iemand anders. Toch bedankt!” 

Ik ben doorweekt. En te laat. Ik slinger mijn telefoon maar weer ’s aan. Ik kijk wéér op Google Maps. Hoe deed ik dat vroeger toch? Want nee, ik zie weer datzelfde onduidelijke kaartje. O wacht, bedenk ik me, ik had een kaartje uitgeprint! Binnen 10 seconden is mijn A-4tje zo kleddernat dat ik ook dat niet meer lezen kan. Er zit niets anders op dan te wachten op weer een voorbijganger. Hebbes. “Ik moet op de Johan Huizingalaan zijn. Weet u hoe ik daar kom?”, vraag ik weer. “Ik ben al drie kwartier aan het rondfietsen, mijn Google Maps toont niet de goede lokatie en mijn papiertje met de kaart is onleesbaar,” vervolg ik. Ik hoef de wanhoop in mijn stem inmiddels niet meer te verbergen. De aardige meneer kijkt me aan. “Meid, wat vervelend! Zo in alle vroegte. En och, ik zou het graag vertellen als ik het maar zou weten. Maar ik heb werkelijk geen idee. Echt niet. Vraag maar liever iemand anders.” “Bedankt! Weet u wel dat u de eerste bent deze vroege ochtend die dat meteen eerlijk zegt. Goud waard!” 

De man kijkt me verbijsterd aan.

Die ‘ik weet het niet’, hè? Dat is ook een behulpzaam antwoord. Waarom is dat toch zo moeilijk, om dat te zeggen?

Dat weet ik dan weer niet.